Het is moeilijk voor een vogel om niet te zingen 

 

Niet gezien worden is eenvoudiger dan gedacht

zelfs mijn ego denkt dat wolken niet bestaan

vergeet het begrijpen en wordt een vogeltje

 

hoe kan ik vertellen over de dag

dat de telefoon rinkelde en waarom

ik ging zitten 

en zoveel woorden bedacht  

maar niet zei

 

(inslikken is zoiets als de keel dichtknijpen)

 

en je verdient het allemaal

ver van het strand en dichterbij

huis aan het water

een vrouw in je bed

wang tegen schouder

benen, armen, Cupido

 

dat weet ik best

 

geen waarheden zonder naam

of één voet rechts en één voet links

 

maar ik ben geen vrouw

ik ben een vogeltje

heel mijn optreden zit in mijn lied

 

en iemand kan erin geloven of naar kijken

en iemand kan in armen nemen en op schoot

en iemand kan zeggen: Vogel, wie ben je?

 

niet meer dan een lichaam in een veren broekpak

 

 

Ondertussen 

 

De wereld is waarschijnlijk gemaakt

voor mestkevers en wie weet wat

voor bijzonderheden

 

ik kom te laat binnen

om mijn mond 

in zijn hals te plaatsen

 

hij draait zijn hoofd op het kussen

om te zien met wie hij getrouwd is

 

ik zeur niet, ik weet dat

 

snavels ontbijten 

in het zachte gras

 

mensen zijn anders

 

 

 

 

In gruzelementen

Ze zeggen 

dat je niet bestaat

ver achter in de hemel

waar de engelen

nog niet hebben geleerd

mij aan te roepen

in m'n eentje

ik weet het niet

vandaag meer dan ooit

probeer ik te vliegen

aan jouw zijde

alle puin van het heelal

wil ik drinken

op de gezondheid

van geen ene moer

al mijn tranen blaas ik op

met het veilige licht van de tunnel

evenals mijn therapeuten

heel mijn cafétafeltje

en mezelf daarbij

als je mij maar nooit vraagt

iets te schrijven voor de dieren

de bloem heeft met mijn gedachten

meer dan genoeg uitgevoerd

Uitzicht

 

Al wat ik van jou weet

heb ik in leesvensters geleerd

 

waarom niet eenvoudig

het venster opendoen?

 

en dan wacht ik

voor mijn part

poedelnaakt

en dagen achtereen

 

tot ik jou eruit zie springen

Ik ben er geweest

Soms ben ik een meisje nog

dat vrolijk huppelt

nadien zal ik zeggen herinner je

en ga ik bokkig koffie drinken

met gulzige teugjes

uit een versleten kopje

terwijl ik kijk in ogen

die mij van dichtbij bekijken

om zeker te weten dat ik het ben

achter die verdomd grote zonnebril

en vanzelfsprekend sjouw ik gretig

beschreven papieren vleugeltjes mee

omdat ze voortglijden

zonder kunstgrepen

hoog in de hemel

van al het likken

en ik kus ze

en ik besnuffel ze

en ik neem ze omarmd mee

naar mijn zolderkamertje

waar ik ze een lief verhaaltje vertel

om alle laffaards mee op hun hoofd te slaan

want er is er niet een

die ze in haastige stap

over de eentonige straten

van moeder luchtbel

durft mee te dragen

Uit het zicht

 

Vandaag weet ik

dat je niet zult komen

hier waar ik mij nu bevind

 

zal een ander

die ik nauwelijks ken

mijn voorhoofd aanraken

en te veel water

naar mijn lippen brengen

 

hoe vreemd

om nu aan walnoten te denken

of aan opgesloten zomerjurken

en vergeten dat het zondag is

 

nog ben ik je moeder

je hebzuchtige ooievaar

je dierbare mislukking

 

ooit nam ik de lange weg naar huis

 

en jij bent daar

zonder mij te roepen

vergeet alles

zoals het kind

van iemand anders

schouders ophaalt

 

even moedig als ik

herinneringen

 

zoals eenieder van ons

 

een druppel urine te veel

een rimpel te veel

een slaappil te veel

 

zielsgraag

 

uit de draaimolen vliegen

mijn nachthemd en ik

met het hoofd in de wolken

een beetje wit

 

en iedereen die ik zie

zal jou zijn

met kleine meisjes-ogen

die nog glimmen van plezier

en van mij te lang aankijken

wanneer ik thuiskom

en de deur zachtjes achter mij sluit

Tussen mens en vogel

 

Hij is zoals ik

de ander of gewoon

een vreemde

die er vandoor is gegaan

 

het heeft geen belang

wie we moeten vergeten

of dat niemand zich herinnert

of we uit een bar kwamen

of uit het Midden-Oosten

 

als wij vliegen

als wij zullen vliegen

 

alle omheiningen van de wereld

tussen onze vleugels meegedragen

 

gelijk nakomelingen

van niemand

voor wie ze bidden 

waartegen ze blaffen

die ze van kant maken

 

als wij vliegen

als wij zullen vliegen

 

ver buiten de kooi

met loshangend haar

en bijna vogel

 

zullen wij mens zijn

In het volgende leven misschien

Vlijtig zoek ik naar klaslokaal                

mijn eigen leren van wie niet weet                             of van wie losbandig is
                                         en afgetakeld genoeg  

om zich dingen te verbeelden                                                                                                   van liefde word ik een opgezette vogel

ik bedoel te zeggen

echtgenoten doen me denken

aan orang-oetans

die viool proberen te spelen

omdat het al geschreven stond

of rondbazuint door Balzac

met water in zijn pupillen

en Napoleons glimlach in zijn knieën

ik ben in de war geraakt

ik die het had kunnen vertellen  

of jij die weet van onaffe gedachten

die je roepen onder de parasols

mijn lichaam was niets meer dan omkoperij

om de kuilen in je geest mee dicht te stoppen

en ik weet dat ik het goed doe                                 omdat ik me weet te horen                                   en ook jij weet het  

wat ik dacht te schrijven                                 diezelfde nacht

waarin jij je kleuren op mij drukte                 hoe nabij wij waren                                           een volmaakt gesprek te beginnen

zijn woorden niet eenvoudig                               te plukken als een grashalm?                                   Of misschien wel even gemakkelijk als ikzelf? 

 

waar ben je hier in deze trui?                               kijk deze armen                                               nog steeds de jouwe  

ik ben er niet                                

maar ik beeld mezelf in

eerst veel later weet ik

jouw glimlach van voorbij
  

jouw blik van nieuwe afscheidsgroet

enkel jij weet het nog niet

wat ik dacht te schrijven
                               diezelfde ochtend toen jij verdween

en ik mijn ogen begon door te prikken

        

hoe nabij wij waren
                                           een volmaakt gesprek te beginnen 

Schijnvruchten, bordelen en gevangenissen 

 

God gaf ons zonnedruppels af en toe

alcohol en giechelen om het dragen van boodschappen

Van sterren! Van ondergoed! Van enkel afdrukken

aan de bovenkant van mijn toppen! O overheid, ik ga

nergens heen! Vrij

 

om voorover te buigen en op de loer te liggen

 

net als meisjesogen wat hem betreft

alsof ik plukken wil of iets aangeven zelfs in bloemetjesjurk

met gekruiste benen; Ze zijn nat! Ze zijn nat! O Vader!

Lieve Vader! Maar niemand komt om ze te zien

bewegen, trappelen, protesteren, staan?

En iemand fluistert -die vrouw is gek evenals Elisabeth-

en weet niet half hoe gek maar ik weet

 

sommige leugens zijn majestueus en ik zal nooit slapen

in het bed van mijn moeder noch ben ik het lege hoofd van

de paspop, al dan niet goed getrouwd

Hoe kan ik groeien meer dwaas dan nu met meer dan

dankzeggingen genoeg voor de lelies van vroeger?

Wie is daar? Dood jezelf, onthoud mijn gezoem!

Waarom blijven rondhangen in deze poel als een boerennachtegaal,

wiens mijmeringen nooit zo uitgelegd als lindebloesem?

 

(-Je ogen zijn als die van je moeder-

had de onderwijzer gezegd)

 

Wat mij betreft ben ik een beuk, ik ben hier!

Oneindige echo door de bossen!

Anarchie zing ik! Chaos! Eeuwige identiteit!

En ik draag de woorden aan mijn takken!

 

O dagen en weken zijn voorbij en niet één blad viel.

(De hoer grinnikt in haar slaap om geld,

om lering, om jou zodra je weg bent!)

 

En jij droeg parkieten rond je glimlach, om lesjes te leren,

om borsten te overtuigen en ook de tulpen zo langs mijn neus weg

en jubelend nooit te scheiden en draagt in deze dagen nog!

 

Ze dansen met de wet!

Ze dansen op tafel en in Jerusalem

De hele nacht door zelfs

tussen de lakens, als hofnarren.

Ogenblikken  

 

Ze verlangt een vrouw

in bed, ongeschoren

en grof zoals jij

met vaderhanden

 

de dag een zondag

 

het geeft niet dat haar

huid de kleur heeft

van je lippen of van

het naderen van de herfst

ik voeg gewoon wat water toe

 

niet iedereen pist in bad

en laat tragedies op tafel liggen

 

door kaarsen verzacht

 

in een huis hiervandaan

zie je een ander fotograferen

en wonen, heel alleen

December  

 

Voor Anna (in mannenkleren)

 

Dit is dezelfde droom 

waarin ik zo vaak wil zijn

 

[het is nacht, waar 

is je kamer? lach Anna, knipoog

ik wil dat je me knijpt!]

vleugelvrouw, poppenbruid

in je lieve, wilde bed

met je blote voeten van God

je filosofie is mijn schuilplaats

en de waanzin van de oude dichter

om zijn Stetson hoed

om zijn blauwe plekken 

om zijn tien vrouwen

O dennenboom! O dennenboom!

O hoe lief jij fluisterde in je slaap:

welterusten grappig ding, welterusten losbol 

alsof ik niet begreep

waarin we geloofden 

en wie we waren

vogels hoog op telefoondraden

Gratie 

 

Ik verzin

onbekende gezichten

tot ze

in jouw gezicht

veranderen

 

(loslippigheid beschuldigt mij)

 

terwijl ik

damstenen gooi

in papieren bootjes

voor Marie Antoinette

om zich tegenaan

te werpen

 

- laten we haar vergeven-

 

om te weten

dat ik niet

ben doodgegaan

 

vanmorgen

 

keek ik naar je

of riep ik om genade?

minutenlang

alsof je achter en

tussen de grijze punten

van de ochtendkrant

geduldig wachtte

op mijn komst

Dit is mijn brief aan de professor  

 

Ik zou het kunnen bekennen

dat ik enkel wispelturig ben en gek

van liefde voor kennis 

ondanks alle aanstellers en pluimstrijkers

maar dat doet er niet toe

omdat je vertelt over de toestand van mijn geest

krankzinnigheid, speelruimte, weeffout

 

liefde! dit is het lied van je studente!

dit is het lied van de kus

aan beide zijden van de wetenschap!

dit is het lied van een ander

die erop uitging in een zinkend schip!

dit is het lied van de roze lakens bedgenoot!

dit is het lied van ik zing: pillen, leugens, lichaam 

van de vrouw tegen de kalender geplakt die zegt:

bordeel in zicht!

saluut psycholoog van de zoveelste leergang!

 

kom mij vertellen kleuren 

voor mijn boekenplank

je weet ik zou strikken 

al je vrijheidsliedjes

rond mijn volgepropte hoofd

laat ze dwarrelen

als wilde, groene takken 

en op een grappige manier sterven

de volgende keer

zit ik op je knie

en noem je papa

 

fluister ik met mijn lieve lippen 

dichtbij jouw snor

je weet je gaf me niets anders dan mezelf

net zo goed als dat je nam

tussen je hoed en perfecte ledematen

Stervend jaargetij en de meeste menselijke relaties  

Ik had mijn liefde

willen verklaren

in plaats van de kou

 

die stomme kus op het voorhoofd

blijf, liefste, blijf

ondertussen

loopt het seizoen

ten einde

 

tranenregens

ik ben daar

onder de

versleten bomen

 

blijf, blaadje, blijf